Gentherapie voor artritis

Gentherapie is de overdracht van DNA naar cellen of weefsel ter behandeling van een ziekte. Bij een uiteenlopend aantal ziektes, waaronder reumatoïde artritis (RA), biedt gentherapie naar verwachting mogelijkheden voor een patiëntvriendelijke behandeling met slechts een eenmalige toediening.


Bij gentherapie wordt een gen, ofwel een 'correcte kopie' ofwel een 'wild type', aan de doelcel geleverd die dit gen mist of die een inactief gen bevat.

In het algemeen is dit geen exacte vervanging van het 'afwijkende' gen dat de ziekte veroorzaakt, maar worden er extra, correcte kopieën van genen geleverd om het functieverlies op te vangen. Bij de behandeling van reumatische aandoeningen heeft gentherapie een ander doel, omdat niet bekend is of de ziekte wordt veroorzaakt door een bepaald gendefect.

Bij auto-immuunziektes ligt de nadruk meer op modulatie van het ontstekingsproces. Met mogelijk ook vermindering van de aantasting van botten en kraakbeen tot resultaat. Omdat het DNA zelf niet over de machinerie beschikt om de cel binnen te dringen, moet er een virale of niet-virale vector worden gebruikt om het therapeutische gen in de cel te krijgen. Daarop levert de vector het genetisch materiaal met het therapeutisch gen af aan de doelcel en kan de cel het therapeutische eiwit met zijn eigen machinerie gaan aanmaken.

Op dit moment zijn virussen die genetisch gemodificeerd zijn om therapeutische genen te dragen het meest efficiënte vectortype. De virussen zijn van nature voorkomende virussen waarvan de meeste virale genen zijn verwijderd om replicatie van het virus te voorkomen en de immunogeniciteit te verminderen. Het platform voor de overdracht van virale genen van Arthrogen is gebaseerd op adenogeassocieerde virussen.

RA is een chronische ontstekingsziekte die gepaard gaat met de aantasting van gewrichten. In de afgelopen jaren zijn er dankzij inzichten in het ziekteproces biologische geneesmiddelen ontwikkeld. Gentherapie kan voorzien in de stabiele, gereguleerde aanmaak van deze therapeutische eiwitten.

Dankzij het direct in het gewricht afleveren van de gentherapievectoren, worden er plaatselijk eiwitten gemaakt waardoor bijwerkingen tot een minimum beperkt blijven, zoals waargenomen bij systemische behandeling. Cellen van het synovium, de synoviale cellen, zijn eenvoudig te bereiken via de gewrichtsholte, leven betrekkelijk lang en vormen zo een ideaal doel voor gentherapie.

Het succes van gentherapie bij RA hangt af van de totstandbrenging van een therapeutische genexpressie in het lichaam, die efficiënt, langdurig, veilig en gereguleerd is. Vectoren voor genoverdracht vallen in twee categorieën uiteen: virale en non-virale vectoren. Uit een aantal preklinische onderzoeken is gebleken dat het adeno-geassocieerd virus (AAV) geschikt is  voor gentherapie bij chronische ziektes als RA. In klinische onderzoeken naar een aantal uiteenlopende ziektes is de potentie ervan voor therapeutische genoverdracht in het lichaam succesvol gebleken.